01Ik kreeg dit woord van de HEER:
02“Manmensk, wat is ter toch zo biezunder aan t holt van wiendroef? Is t meer van nut as dat van aander bomen?
03Is ter wat bruukboars van te moaken? Kinstoe der meschain n hoak van moaken om der wat aan op te hangen?
04t Wordt as branholt in t vuur smeten, baaide oetènnen binnen verkoold, t middelstok swaartbloakerd – deugt t den nog woaraarns veur?
05Zugst wel, as t nog geef is, kinstoe der niks van moaken, des te minder hest ter den nog aan as t in t vuur verkoold en swaartbloakerd is!
06Dit zegt God, de HEER: t Holt van wiendroef is nait beter as dat van aander bomen. t Komt in t vuur te laande, en krekt zo zel t inwoners van Jeruzalem ook vergoan.
07Ik zel mie tegen heur keren: al binnen ze t vuur ook ontsprongen, toch zel vuur heur verteren. En den, as ik mie tegen heur keer, zel ie besevven dat ik de HEER bin.
08Ik zel van t laand n wildernis moaken omreden ze binnen mie ontraauw worden – dat zegt God, de HEER.”
Hoofdstukken Ezechiël (48)
Ezechiël 01
Ezechiël 02
Ezechiël 03
Ezechiël 04
Ezechiël 05
Ezechiël 06
Ezechiël 07
Ezechiël 08
Ezechiël 09
Ezechiël 10
Ezechiël 11
Ezechiël 12
Ezechiël 13
Ezechiël 14
Ezechiël 15
Ezechiël 16
Ezechiël 17
Ezechiël 18
Ezechiël 19
Ezechiël 20
Ezechiël 21
Ezechiël 22
Ezechiël 23
Ezechiël 24
Ezechiël 25
Ezechiël 26
Ezechiël 27
Ezechiël 28
Ezechiël 29
Ezechiël 30
Ezechiël 31
Ezechiël 32
Ezechiël 33
Ezechiël 34
Ezechiël 35
Ezechiël 36
Ezechiël 37
Ezechiël 38
Ezechiël 39
Ezechiël 40
Ezechiël 41
Ezechiël 42
Ezechiël 43
Ezechiël 44
Ezechiël 45
Ezechiël 46
Ezechiël 47
Ezechiël 48
Hoofdstukken
Hoofdstukken Ezechiël (48)
Ezechiël 01
Ezechiël 02
Ezechiël 03
Ezechiël 04
Ezechiël 05
Ezechiël 06
Ezechiël 07
Ezechiël 08
Ezechiël 09
Ezechiël 10
Ezechiël 11
Ezechiël 12
Ezechiël 13
Ezechiël 14
Ezechiël 15
Ezechiël 16
Ezechiël 17
Ezechiël 18
Ezechiël 19
Ezechiël 20
Ezechiël 21
Ezechiël 22
Ezechiël 23
Ezechiël 24
Ezechiël 25
Ezechiël 26
Ezechiël 27
Ezechiël 28
Ezechiël 29
Ezechiël 30
Ezechiël 31
Ezechiël 32
Ezechiël 33
Ezechiël 34
Ezechiël 35
Ezechiël 36
Ezechiël 37
Ezechiël 38
Ezechiël 39
Ezechiël 40
Ezechiël 41
Ezechiël 42
Ezechiël 43
Ezechiël 44
Ezechiël 45
Ezechiël 46
Ezechiël 47
Ezechiël 48